April nadert, de maand van mijn verjaardag. Waar zijn de tijden gebleven dat ik daar verlangend naar uitkeek?

Door Martin Rep

Oh, die allereerste verjaardagen van mijn leven die me zijn bijgebleven!

Dagen van tevoren begon het aftellen. ‘Nog zoveel nachtjes slapen.’ Dat slapen viel niet mee, ik kon van het verlangen de slaap niet te vatten. De dagen sleepten zich voort. Soms vergat je het heel even, maar dan schoot het je weer te binnen en dan wist je: nog drie dagen, nog twee, nog één, en dan…

Een verlanglijstje had ik niet, ik kon immers lezen noch schrijven. Waar zou ik trouwens uit moeten kiezen? Het waren de jaren vlak na de oorlog, niemand had geld, wij zeker niet. Kleurpotloden, een verfdoos, een speelgoedautootje, veel verder reikte mijn fantasie niet. Kleurige folders waarin je eindeloos kon bladeren en aanstrepen wat je zou willen hebben bestonden niet. Er waren geen websites waar ooms en tantes konden kiezen uit de cadeaus die je alvast in je mandje had gedaan, in de speelgoedwinkel stond geen krat klaar met jouw naam erop waaruit ze iets konden pakken om af te rekenen bij de kassa. 

Borstrok

Mijn moeder wist wel wat ik wilde hebben. Helaas gaf zij soms ook cadeautjes die ik niet wilde en waar ik niks aan vond. Bijvoorbeeld, mijn moeder had een nieuwe borstrok voor me gebreid en die moest ik gelijk passen. Ik vond dat geen cadeau, bovendien zat zo’n borstrok altijd veel te strak. 

Ik herinner me de ochtend van mijn vierde verjaardag. Van de spanning was al ik rond zes uur wakker. Een uur te vroeg, pas om zeven uur mocht ik het grote bed in kruipen, tussen mijn vader en moeder in. Mijn broers kwamen erbij liggen aan het voeteinde. Dan moest er worden gezongen. Eerst ‘Er is er een jarig’, dan het tweede, vrome couplet: ‘’k Hoop dat Onze Lieve Heer Martin zal sparen tot volgend jaar weer’, en dan eindelijk het uitpakken van de cadeautjes.

Misschien was het wel op die vierde verjaardag dat ik mijn mooiste kleurboek ooit kreeg. Het maakte zo’n indruk op me dat ik me het nog altijd herinner. Er stonden tekeningen in waar je voorzichtig overheen moest gaan met een penseel – een kwastje, heette dat nog – die je in water had gedoopt, en dan kwamen de prachtigste kleuren zomaar vanzelf te voorschijn.

Het was bijna net zo’n wonder als de reclamekaarten die mijn vader weleens kreeg van een reiziger in sigaretten. Daar stond een mannetje op getekend met een sigaret in zijn mond. Met het brandende uiteinde van zijn sigaar maakte mijn vader op een bepaalde plek een brandgat in de kaart, waarop een lijntje van de tekening begon te smeulen, tot het met een knal het eindpunt bereikte – daar zat een klappertje in het karton verborgen. Nog nooit had ik zoiets moois gezien, ik kon niet wachten tot ik zelf zou gaan roken en ook van die mooie kaarten mocht aansteken.

Wat kreeg ik verder zoal op een verjaardag in de jaren vijftig? Er is een brief bewaard gebleven van vijf jaar later, geschreven kort na mijn negende verjaardag, in april 1955. De geadresseerde was mijn broer die uit logeren was. De geschenken lijken nogal bescheiden naar hedendaagse maatstaven, maar ik was zo te zien dik tevreden: 

Beste Jelte,

Ik heb een fijne verjaardag gehad, jô! Lees maar wat ik gehad heb: Een legerjeep, een schilderij, een ballpoint, een kladbloc, een zakmes, twee boeken van Bulletje en Bonestaak, n doosje flikken, een paasei, een vliegtuig van Dinky Toys, nog meer boeken, een schrift, een schetsboek en n doos kleurpotloden en nog wat.

Martin

Ik vind het nogal een hele lijst, vooral het zakmes dat me toch niet is bijgebleven en dus wel niet heel bijzonder zal zijn geweest. Ik heb nog steeds een zwak voor zakmessen, mijn Victorinox (the real Swiss Army Knife) heb ik altijd bij me.

Jeep

De kleurpotloden, dat weet ik nog, waren van die goedkope, helaas niet de mooie Caran d’Ache-potloden die we op school gebruikten. De leger­jeep was uiteraard geen echte jeep, maar een Dinky Toy, prachtige miniaturen die nogal duur waren. Verza­melaars zijn er nog altijd gek op. De jeep had vijf wielen; het reservewiel zat aan de achterkant, zoals je heden ten dage nog wel ziet bij Range Rovers.

Dinky Toys waren mijn favoriete speelgoed, en dan vooral de militaire. Ik was helaas na de Tweede Wereldoorlog geboren en jaloers op mijn broers, die de intocht van de Canadezen in Koog aan de Zaan hadden meegemaakt en daarover konden vertellen. Doe joe hef sikkrets voor maai vasser, had mijn oudste broer gevraagd aan zo’n Canadees, hij kreeg een handjevol echte sigaretten mee.

Bulletje

Van het vliegtuig van Dinky Toy herinner ik me alleen nog dat de schaal verkeerd was: hij was net zo groot als de jeep. Een ‘ballpoint’ zoals een balpen toen nog heette, was kennelijk een bijzonder geschenk, je werd er nog niet in elke winkel mee dood­gegooid.

Bulletje en Bonestaak waren strip­verhalen die voor de oorlog in dagblad Het Volk waren verschenen en nu in albumvorm werden heruitgegeven. Elk jaar kreeg ik er vier (twee met m’n verjaardag, twee met sinterklaas), maar mijn collectie stopte na deel 10; er kwam maar geen einde aan de wereldreis die de twee Hollandse jongens maakten op het schip waar hun vaders kapitein respectievelijk eerste stuurman waren. De doos flikken en het chocolade paasei werden ongetwijfeld een paar dagen bewaard, en vervolgens door het hele gezin gezamenlijk gecon­sumeerd. In je eentje opeten was ondenkbaar, dat was ‘hebberig’.

Joppie en rap

Bij het ‘schilderij’ dat ik kennelijk had gekregen, kan ik me niets voorstellen. Wel bij de boeken, want ik was gek op lezen. De boeken die ik noem in de brief, waren vast en zeker uitgaven van Callenbach Nijkerk of Meinema Delft. Christelijke uitgeverijen, die ‘goede’ boeken verkochten waarin het geloof centraal stond. Er waren titels als Rondom de Westertoren, Joppie en Rap de Vredes­duiven en Engeland­vaarders. Ik vond ze spannend.

Van een kinderfeestje was geen sprake. Mijn twee beste vriendjes liepen met me mee uit school, want er waren wel gebakjes gekocht. Daarna gingen we buiten spelen. Niet te ver bij huis vandaan, want soms kwam onze deftige tante Corrie uit Amsterdam op visite en die nam vaak iets mee uit de Bijenkorf.

De Zaandamse ooms en tantes kwamen pas na het eten en die namen soms een mooi boek (Jongens uit ’t Zaantje’) mee. Of ze drukten me een zilveren gulden in de vuist, met de dringende boodschap die niet te versnoepen. Versnoepen, dat was een slechte eigenschap in de jaren vijftig, dat werd je niet geleerd in een goed jongensboek.

Niet de familie Rep in de jaren vijftig. Bron: Wooninspiratie

Door Martin Rep.