Anneke van Dok: Hoezo ‘vreemdeling’?

Hoewel ik meer dan twintig jaar in Hoorn heb gewoond en zelfs een erepenning van die gemeente bezit, zal ik in de ogen van mijn stadgenoten altijd een Zaanse blijven, want de status van Horinees is alleen weggelegd voor degenen wier grootouders er zijn geboren.

Hoorn vormt geen uitzondering met zijn milde discriminatie en ook op landelijk niveau houdt men vast aan  onderscheid.

Door Anneke van Dok

Het woord allochtoon moet op gezag van hogerhand worden vervangen door “Nederlander met een migratie- achtergrond”, om scherp aan te geven dat je  toch een beetje vreemd of een Marokkaan bent. Dankzij het resultaat van wetenschappelijk onderzoek weten we nu, dat we ons allemaal  Nederlander met een migratie-achtergrond kunnen noemen, omdat we afstammen van een Marokkaanse voorvader.

Ik heb veel geschreven over het migratievraagstuk: o.a. in het VNG- magazine, het vakblad van gemeentebestuurders en -ambtenaren, maar zelden in De Orkaan. Onlangs kwam ik erachter, dat ik met inbegrip van de columns die ik voor u schreef, in de loop van twintig jaar honderd artikelen over uiteenlopende onderwerpen heb gepubliceerd.

Een mijlpaal! Daarom bundelde ik ze tot een klein boekje, Nederland in 100 stukkies, dat wellicht wordt uitgegeven, wanneer het in de smaak valt bij een uitgever. Er was één tekst die er niet in mocht, omdat hij te lang is, maar toen ik hem teruglas betreurde ik dat zeer. In tegenstelling tot de overige artikelen, is mijn bespiegeling Hoezo vreemdeling ook nooit eerder gepubliceerd. Je moet er wel even voor gaan zitten, maar gezien het hoge Zaankarakter wil ik u deze primeur niet onthouden.

Hoezo vreemdeling

In tijden van verwarring en onzekerheid zoek ik naar ankers in mijn geheugen. Ik grijp mij eraan vast om niet weg te drijven op onbeheerste gedachtestromen. Natuurlijk zijn gebeurtenissen uit het verleden geen blauwdrukken voor het heden, maar een bewust opgeroepen deja vu kan wel richting geven. Als ik in de berichtenbrij over de vluchtelingencrisis de woorden Islam, Middellandse Zee, en Syrië wegstreep, zie ik veel overeenkomsten in de opvang van vluchtelingen en de bejegening van vreemdelingen die ik als kind en journalist in de Zaanstreek, als wethouder in Hoorn en als burgemeester van Diemen, Velsen en Vlissingen waarnam. De agressie tegen de komst van vreemdelingen is mij ook niet vreemd, evenmin het abjecte gedrag van jongemannen die, van ouders en onderwijs verstoken, moesten overleven in verwoeste, gewelddadige steden.

Als iets opvalt in de chaos rond de vluchtelingenstroom uit Syrië, dan is het wel de onwil van de leiders van de Europese Unie om te aanvaarden, dat het gaat over mensen in nood, en niet over quota. De primaire vraag is niet: hoe houden we ze op afstand of hoe kunnen we onze blik afwenden van de gammele bootjes, maar wel: hoe verdelen we de pijn over alle lidstaten. De situatie doet me sterk denken aan een lied van Dirk Witte, dat hij in 1920 schreef over de impasse rond de opvang van vluchtelingen toen. Het liedje heet Praters.

Overigens is `vreemdeling’ een even tijdelijk als rekbaar begrip, dat we met een negatieve connotatie gebruiken tot we nader hebben kennisgemaakt met de nieuwkomer in onze buurt of vereniging. De verontwaardiging van wijkbewoners over de komst van vreemdelingen is meestal even groot als de boosheid over hun gedwongen vertrek.

Ik noem een paar voorbeelden die iedereen die vlak na de oorlog is geboren, ongetwijfeld herkent. In de terugblik beperk ik me tot eigen ervaringen. Informatie uit andere bronnen laat ik achterwege.

Openbaren, katholieken en protestanten

Ik zag voor het eerst een bruine huidskleur toen een Surinaams kind mijn klas van de openbare lagere school in Zaandam binnenstapte.  Zij was van haar kroezige vlechten tot haar bijna zwarte enkels een bezienswaardigheid, maar binnen een half jaar werd ze een gewoon meisje dat een zeven voor rekenen en een acht voor taal op haar rapport haalde en erg goed was in gymnastiek. Mijn school stond pal naast een protestant christelijke school. De leerlingen van die school en de kinderen van de openbare zagen in elkaar eerder een vreemdeling dan in het Surinaamse meisje op mijn school of de Molukse kinderen op de protestantse. De openbare en protestantse scholieren pruimden elkaar niet. De scholen stonden met de ruggen naar elkaar, zodat er geen enkele mogelijkheid tot contact was. Maar tijdens strenge vorst konden de kinderen elkaar in het speelkwartier op het ijs van de Gouw treffen. Dat gebeurde fanatiek; met scheldkanonnades en keiharde sneeuwballen.

De scholen lagen op de grens van twee wijken: de verzetsheldenbuurt, waar de woningen overwegend eigendom waren van de algemene woningcorporatie en de wijk waar alle straten naar christelijke helden waren vernoemd en waar woningstichting Patrimonium de huisbaas was. Tijdens verkiezingen kleurden de straten in de verzetsheldenbuurt rood; voorbij de Klaas Katerstraat (foto uit Gemeentearchief boven: Christelijke School aan de Klaas Katerstraat, Kater was de oprichter van de Christelijke Werknemersbond Patrimonium) zag je huis aan huis affiches van de AR en de CHU. In de Belgische buurt, meer noordelijk woonden de Roomsen. Ik kende daar een meisje dat samen met mij vioolles had. Er bestonden namelijk geen katholieke muziekscholen, alleen openbare. Als mij in plaats van een viool een dwarsfluit in de handen was gelegd had ik haar nooit ontmoet en had ik niets te zoeken gehad in de Luikse straat. Openbaar speelde met openbaar, protestant met protestant, hervormd met hervormd, doopsgezind met doopsgezind, enzovoort.  Elke mogelijkheid om met elkaar in contact te komen werd voorkomen door de schotten tussen eigen voetbalclubs, dansscholen, padvindersgilden, zangverenigingen en scholen.

Protestante woningen aan de Klaas Katerstraat. Foto Gemeentearchief, 1935.

 

Wie nu zijn licht in Zaandam, Velsen of Hoorn opsteekt -om goed onderwijs voor zijn kinderen te zoeken, of om lid te worden van een sportvereniging- zal met moeite nog kunnen zien tot welke denominatie zijn favoriete school of club ooit heeft behoord. De Zwaluwen in Hoorn voetballen nog steeds op zaterdag en dragen de predicatie christelijk nog in hun verenigingsnaam, maar veel andere clubs ontdeden zich van hun religieuze veren.  Met de privatisering van het onderwijs, hield de openbare school in essentie op te bestaan. Gemengde huwelijken worden niet meer verdoemd en kinderen worden zelden nog naar heiligen vernoemd.

Wie vroeger nog een `vreemdeling’ was, is nu je buurman of je schoonvader.

De Molukse wijk

Mijn tweede ontmoeting met vreemd volk in Zaandam verliep allerminst harmonieus. De Molukse kinderen op de protestantse school, liepen na afloop dezelfde kant naar huis op als ik. Ze waren klein van stuk, maar wel met zijn vijven en ze vochten erg gemeen. Ik weet niet meer precies wat de aanleiding tot het conflict was en ook niet hoe het tot een wapenstilstand kwam. Ik herinner me nog wel dat de vrede werd gevierd met een zakje zwart op wit mijnerzijds en een handvol plakkerige katjangs van Molukse kant.  Zulke pinda’s had ik nog niet geproefd.

Tent voor een trouwpartij van Molukkers in Wormerveer, 1965. Foto Gemeentearchief.

Toen ik in 1999 als burgemeester kennismaakte met de Molukse gemeenschap in Vlissingen, merkte ik dat het groepsbesef enorm groot was en dat er meer werd vereist dan een puntzakje zwart op wit om goed contact te leggen. De van Ambon afkomstige mensen woonden nagenoeg allemaal in het dorp Oost-Souburg dat onderdeel uitmaakt van de gemeente Vlissingen.  De bewoners pleitten ervoor de buurt honderd procent Moluks te houden, opdat de saamhorigheid niet zou worden verstoord door een `vreemde’ buurman of buurvrouw.  De ouderen spraken amper Nederlands. In Middelburg bestond zelfs al een Moluks bejaardenhuis. De gezinnen van de voormalige KNIL- militairen verbleven gedurende de eerste tien jaren na de onafhankelijkheidsverklaring in kampen. Ze integreerden niet of nauwelijks. Toen van overheidswege werd besloten de barakken in het kamp West Kapelle van keukens te voorzien, waren de bewoners zelf daar fel op tegen. Sterker nog; ze sloopten de keukens er weer uit. Uit niets mocht blijken dat hun verblijf in Nederland een duurzaam karakter kreeg. Het streven was en bleef: terugkeer naar Ambon. De integratie kwam ook onder de tweede generatie moeizaam op gang.

Surant

Het straatbeeld in Hoorn werd in de zeventiger jaren veelkleurig door de komst van Surinaamse en Antilliaanse migranten. Ze verenigden zich in de stichting Surant, die in het leven werd geroepen om in aanmerking te komen voor subsidies, die het rijk, via de gemeenten, verstrekte aan `culturele’ activiteiten. En dat waren er heel veel, omdat alle etnische varianten door Surant werden vertegenwoordigd. Het was bijna elke week feest. Dat er grote verschillen bestaan tussen Surinamers en de Antillianen (kijk eerst op de globe voor je twee groepen samenklontert) manifesteerde zich al gauw. Er ontstond onenigheid over de verdeling van de subsidie en over de ongelijke deelname aan vrijwilligerstaken. Bovendien eisten de Antillianen een eigen jongerencentrum omdat hun jeugd veel overlast veroorzaakte. Na de opening van Revolution (gevestigd op de etage van een oud politiebureau) bloeide de drugshandel snel op en regende het klachten uit de buurt over junks en luide muziek. (Ook Surinaamse nieuwkomers in de Bijlmermeer zorgden een tijdlang voor (drugs)overlast, maar de meesten integreerden volledig, zij het met behoud van vrolijke feesten en hun kleurrijke cultuur.) Wie een Surinaamse man in 2016 nog een vreemdeling noemt, mag zelf voor een beetje vreemd worden aangezien.

Het Surbeza-gebouw in 1990, voor Surinamers en Antillianen. Foto Gemeentearchief.

 


De Antilliaanse jongeren hebben mij als burgemeester van Vlissingen (1999- 2008) nog wel veel hoofdpijn bezorgd. Je kon hun misdadige gedrag niet toeschrijven aan het vluchtelingen- of migratiebeleid, want ze vlogen als Nederlandse medeburgers onze samenleving binnen, doken op waar het hun goed uitkwam en stoorden zich aan God noch gebod. Antilliaanse jongeren waren vaak betrokken bij geweldsdelicten, diefstal en drugshandel. Ze verplaatsten zich steeds naar steden met ruime huisvestingsmogelijkheden, die algauw werden getypeerd als Antillianengemeenten. Almere, Den Helder, Nijmegen, Vlissingen en nog negen andere steden behoorden daartoe. De burgemeesters traden in overleg met minister Rita Verdonk van vreemdelingenzaken en integratie. Het besluit, dat na langdurig overleg tot stand kwam, gaf politie en huiseigenaren de mogelijkheid om Antilliaanse jongeren met een strafblad, in de gaten te houden middels een hoofdletter A achter hun naam in de dossiers. De ondertekening van de overeenkomst ging niet door, omdat burgemeesters van de grootste gemeenten voor deze` inbreuk op de privacy’ terugdeinsden. Ik vond Rita Verdonks voorstel acceptabel, en ondertekende het wel. Vooral omdat een Antilliaanse moeder mij op mijn spreekuur smeekte om in te grijpen. Haar zoon zwierf, net als zijn criminele kameraden door Nederland en ze vreesde voor zijn leven.


De overloop

Dankzij het overloopbeleid van de zeventiger jaren, ontstond er een grote trek van de grote steden naar zogenoemde groeikernen.  Van oorsprong typische stadsmensen uit Zaandam en Amsterdam maakten kennis met de gewoonten in hun nieuwe woonplaatsen. (zoals carnaval en uitbundige bruiloftsfeesten die hoorden bij de katholieke cultuur van het West-Friese dorp Zwaag. Paul en ik  konden daar, als pasgetrouwd stel, een betaalbaar huis kopen, dankzij de woonsubsidie van het Rijk om de overloop te stimuleren.)

Het Noord-Hollands Dagblad publiceerde in die periode achtergrondartikelen over de consequenties van de grote toeloop van typische stadsbewoners naar het gemoedelijke platteland. De kerken werden geconfronteerd met goedopgeleide, kritische mensen, die wel gedoopt en voor het altaar getrouwd waren, maar zich verder weinig aantrokken van pastoor of paus. De invloed van nieuwe bewegingen als de studentenecclesia en de 8 meibeweging deden zich gelden. Soms richtten de nieuwkomers zelfs een nieuwe kerkgemeenschap op, zoals in het puur Roomse Hoogkarspel. Koren, sportverenigingen en harmonieorkesten werden bevolkt door zangers en spelers, die zich graag presenteerden als een groot talent tegenover hun `uit de klei getrokken’ clubgenoten. In het dorp Zwaag was de KVP decennialang de enige partij in de gemeenteraad. De kieslijst bestond uit vijftien leden; net genoeg om elf zetels te bezetten en na sterfgevallen de vacatures op te vullen. Een lokale partij, Positieve Samenwerking genaamd, deed begin jaren zeventig aan de verkiezingen mee en verwierf een meerderheid. Toen de burgemeester na openen van de stembus een biljet met een rode punt op de CPN zag, vroeg hij vertwijfeld: `Wie kan dat nou geweest zijn?’ Vier jaar later deed ook de Partij van de Arbeid mee aan de verkiezingen en behaalde direct twee zetels in de raad. Ik bezette er een van. Dat betekende het einde van een journalistiek leven, maar ook de eerste stap op een bestuurlijke loopbaan die vijfendertig jaar zou duren. De dorpen Zwaag en Blokker fuseerden in 1978 met de stad Hoorn, waarna er nieuwe verkiezingen plaats vonden. Ik werd na de stemming meteen wethouder.

Pluche

Dat ik zo snel en zo jong op het pluche terechtkwam was te wijten aan het grote verloop van wethouders in die periode. Er was namelijk een heftige politieke strijd gaande over de over de voortzetting van de groeikerntaak en over de vraag of er ten behoeve van `vreemd volk’ nog een nieuwe woonwijk moest worden gebouwd. Die strijd werd met een krappe meerderheid ten gunste van de groei beslecht. De zittende bestuurders durfde in deze risicovolle ambiance hun baan niet op te zeggen voor een fulltime wethouderschap.

Hoorn telde eind jaren zeventig evenveel autochtone inwoners (Horinezen) als Hoornaren (wel woonachtig maar niet geboren te Hoorn). Iedereen kon begrijpen, dat dit onderscheid geen warm gevoel van welkom opriep. Toch had de VOC–stad zijn monumentale poorten gastvrij opengezet voor duizenden Amsterdammers, Zaankanters, Surinamers, Turkse en Marokkaanse gastarbeiders, Chilenen en Vietnamezen. De gemeenteraad van Hoorn bestond in die tijd (ruw weg) voor een kwart uit raadsleden, woonachtig in Zwaag en Blokker, voor een kwart uit Horinezen en voor meer dan de helft uit overlopers.

Na een lange carrière ben ik in 2008 in Hoorn teruggekeerd. Als Hoornaar, want de status van Horinese kon ik, hoewel gelauwerd met een erepenning van de stad, niet verwerven vanwege mijn Zaanse geboortegrond. Hoorn is een gezellige stad geworden met een rijk uitgaansleven en toerisme.  Alleen door een Amsterdams accent en een iets te luide stem kun je een overloper nog van een West-Fries onderscheiden.  De stad telt dertigduizend meer inwoners dan toen ik er wethouder werd. Er is sprake van een evenwichtig politiek klimaat. In talloze sportverenigingen zijn vrijwilligers actief, zoals in de vereniging Oud Hoorn, die met vele leden volgend jaar zijn eeuwfeest viert.

Van slangentoren tot minaret

De gastarbeiders uit het Middellandse Zeegebied mochten zich in de periode van mijn wethouderschap (1978- 1984) herenigen met hun verwanten. Een groot aantal flatwoningen in Hoorn Noord werd bevolkt door Islamitische gezinnen. Hun kinderen gingen naar de openbare school in de wijk, waar een Turkse onderwijzer, meester Uz, lesgaf in hun eigen taal en cultuur. Slechts af en toe bereikte een klacht over een op het balkon geslacht schaap, of een te luidruchtig Suikerfeest het stadhuis.

Twee onderwijzeressen en meester Uz waarschuwden mij, als wethouder onderwijs, wel voor de opkomst van moskeeën en imams, die (volgens hen) elders in het land een ongunstige invloed hadden op de integratie van Islamitische schoolkinderen.

Toch gaf ik, na lang aandringen van de Turkse vereniging, gehoor aan het verzoek om medewerking te verlenen aan de huisvesting van een moskee. Van nieuwbouw was geenszins sprake, maar een verlaten brandweerkazerne vormde, vanwege zijn hoge slangentoren, een goede oplossing. Het argument dat het recht van vrijheid van godsdienst voor elke inwoner van Hoorn gold, overtuigde het college van B en W. De dank van de Turkse vereniging voor mijn medewerking was zo groot dat ik een rol kreeg in de officiële inwijding van de moskee; een gebaar dat zeer uitzonderlijk en eervol was. De hoofddoek, die een moslima me bij de ingang van de moskee toestopte, deed ik om mijn hoofd, maar ik vergat hem na afloop terug te geven. Na de komst van de moskee en de imam, was er inderdaad sprake van Islamisering: Het leren van de koran werd belangrijker dan de lessen van mijnheer Uz. De meisjes van de zesde klas droegen een hoofddoek.

Bootvluchtelingen

De kerkelijke werkgroep Woord, lied en gebed drong er in 1981 op aan gehoor te geven aan een oproep van de regering om een grote groep Vietnamese vluchtelingen te huisvesten, die (o.a. door een Nederlands schip) was gered uit de Zuid-Chinese Zee. Het Hoornse gemeentebestuur weigerde zijn medewerking aanvankelijk omdat de overloop van een paar duizend Amsterdammers per jaar, de groeikern tot de rand van de financiële afgrond dreef en geen nieuwe avonturen toeliet. Pas nadat er een behoorlijke bijdrage in de kosten van huisvesting, scholing en maatschappelijke ondersteuning werd toegezegd, veranderde dat standpunt.

De medewerking van Hoorn was heel belangrijk, omdat er een nieuw opvangmodel moest worden ontworpen. In de Tweede Kamer werd in maart 1981 namelijk de motie Evenhuis aangenomen. Daarin werd gesteld, dat asielzoekers niet meer mochten worden gehuisvest in grote AZC’ s, maar na zes weken al moesten worden uitgeplaatst naar woningen in de regio. Hoorn bouwde veel huurwoningen en was daarom geschikt als pilotgemeente, waarin alle facetten van deze aanpak moesten worden ontworpen, van regelgeving voorzien en uitgevoerd. En dat alles binnen een termijn van een half jaar, want in september werd de eerste groep van 125 vluchtelingen verwacht.

In tegenstelling tot de Syriërs die nu via Griekenland Europa binnenkomen, waren de Vietnamezen al als vluchteling erkend en voorzien van de zogenoemde A-status. Dit predicaat stond echter niet garant voor minder problemen!

Honderd vrijwilligers bewezen dat de kerkelijke werkgroep niet alleen was opgericht voor Woord lied en gebed, maar ook voor daden.  Het gemeentebestuur slaagde er dankzij hen in, het In huismodel op poten te zetten, dat twintig jaar als ROA (regionale opvang asielzoekers) in Nederland en andere Europese landen bekend stond.

 Navrant: dertig jaar later werd ik als burgemeester van Vlissingen geconfronteerd met een volledige ommekeer van het beleid. Van de honderden asielzoekers die in mijn stad woonden, werd een groot deel teruggestuurd naar grote opvangcentra elders in het land. Kinderen werden als postzakken van hot naar her gesleept. De multiculturele Regenboogschool, die met een voorschool en gespecialiseerde leerkrachten was toegerust, dreigde door zijn opheffingsnorm te zakken. In twee maanden tijd verloor de school 46 leerlingen. Alle know how werd met een enkele pennenstreek weggestreept.

Het eerste uitgangspunt, dat Hoorn in 1981 hanteerde voor de opvang van Vietnamese vluchtelingen, was eenvoudig, begrijpelijk en goed uitvoerbaar: geen gettovorming, maar wel saamhorigheid; dus geclusterde spreiding. Dat Hoorn vervolgens door het ministerie van Binnenlandse Zaken gevoelig op de vingers werd getikt (discriminatie) beschouw ik achteraf als een bureaucratisch foutje.

Ook het tweede uitgangspunt oogstte weerstand: het leren van de taal werd in het Hoornse beleid beschouwd als voorbereiding op werk. Dus kreeg iedere vluchteling een RWW- uitkering in plaats van bijstand. Het niet volgen van de lessen werd bestraft met inhouding op de uitkering. De landelijke voogdijraad De Opbouw volgde deze richtlijn voor zijn pupillen echter niet op, omdat hij niet paste in het educatieve beleid.

Vietnamezen

De Vietnamese jongeren, die de lessen hard nodig hadden, omdat ze door de oorlog analfabeet waren gebleven, spijbelden zonder enige sanctie. Hun uitkering werd aan het begin van de maand zondermeer door de voogdijraad uitgekeerd.

Het derde uitgangspunt: versterk de voorhoede door hoogopgeleiden zo snel mogelijk Nederlands te leren en laat de laagopgeleiden er wat langer over doen, stuitte binnen mijn eigen partij (PvdA) op weerstand.  De rode bestuurders waren immers vijftig jaar lang gewend om zwakkeren voor te trekken. Onze keus had als voordeel dat er een groep voortrekkers ontstond, die de taal spraken en konden bemiddelen. Die opzet lukte overigens pas toen de volgende Vietnamezen arriveerden. De groepsgenoten van de talenknobbels accepteerden hun hulp niet; Jaloezie komt overal ter wereld voor, dus ook bij mensen die dezelfde ellende hebben meegemaakt. Bovendien was sprake van onderling wantrouwen in de groep.

De in 1989 opgerichte commissie Opvang en Integratie van Vluchtelingenwerk Nederland bracht aan de regering advies uit over het vluchtelingenbeleid. Ik was de eerste voorzitter van die commissie en professor Han Entzinger (hoogleraar integratie – en migratiestudies) werd een van de prominente leden. Wij adviseerden om asielzoekers zo snel mogelijk na binnenkomst te activeren met onderwijs en werk. We vonden ook dat de asielprocedure moest worden versneld. Ons advies heeft niet het beoogde effect gehad, want de procedures bleven eindeloos en het duurde heel lang voordat een (niet leerplichtige) asielzoeker recht op onderwijs kreeg.

De Vietnamezen, die vijf en dertig jaar geleden de sleutel van hun woningen in Hoorn van mij aannamen, hebben, voor zover ze nog niet gepensioneerd zijn, een baan of een eigen bedrijf. Hun kinderen maakten carrière. Tot voor kort werden mijn kiezen gevuld door een vrouwelijke, Vietnamese tandarts. Als ik echt lekker wil eten ga ik naar restaurant Red Chili, dat al heel lang de top van de lijst ‘beste restaurants van Nederland’ aanvoert, en waar twee Vietnamese jongemannen in de kookpotten roeren en de scepter zwaaien.

De kleinkinderen van de graatmagere vluchtelingen van destijds, zijn nu iets te dikke tieners, die lol trappen op het Grote Noord. Zij zijn geen vreemdelingen meer, maar vormen een groep van driehonderd gewaardeerde burgers van de stad Hoorn.

Wie herinnert zich nog de motie Evenhuis uit 1981, als hij hoofdschuddend naar de televisie kijkt en de ellende in zo’n massaal AZC overziet. Het is bitter, dat de Europese overheden zo weinig hebben geleerd van de fouten uit het verleden. Er wordt te weinig geanticipeerd op de gevolgen van langdurige oorlogen en mensenschendingen. En de maatregelen die in paniek worden genomen, zijn vaak in het nadeel van de vluchteling. Daardoor lijken ze harteloos en achteloos en lokken ze door de grote haast waarmee wordt gewerkt, verzet op in de samenleving. Het ontbreken van een Europees rampenplan voor de opvang van vluchtelingen toont de zwakheid van de samenwerking. Immers, de spelregels voor de het vluchtelingenbeleid zijn wettelijk verankerd in een internationaal verdrag. Angela Merkel stak haar nek uit in de veronderstelling dat haar moedige voorbeeld zou worden gevolgd door collega’s. Ze kwam bedrogen uit. De besluiteloosheid en weigerachtigheid van de regeringen van de lidstaten vormden een ware uitnodiging voor tegenstanders en relschoppers om goedwillende bestuurders te beletten gehoor te geven haar oproep om de regels van het internationale verdrag na te leven.

Voordat criticasters mij daarop aanspreken: ik beweer niet dat de ervaringen met vluchtelingenstromen uit het verleden maatgevend zijn. De verschillen in aantallen zijn groot. Maar voor het ontbreken van enige voorbereiding of anticipatie bestaat geen enkel excuus.

Alsof het wiel in 2016 nog moet worden uitgevonden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *